Het verhaal van mijn moeder

 
11 mei 2015, by Karin in Psychologie, relaties, War Child

Het was geen gewone dag. Nee,  absoluut geen gewone dag. Het was een bijzondere dag, voor een bijzonder meisje. Deze dag was de dag dat zij vijf jaar oud werd.  Al een hele grote meid. Ok niet zo groot als haar zus, maar toch. Nog even en dan zou zij naar dezelfde school gaan en leren lezen en schrijven. Maar daar dacht zij nog niet aan, want vandaag was het feest. Haar rode haar zat met een elastiekje vast in haar nek en in haar handjes hield zij stevig één van de vijf chocoladereepjes vast die zij net had gekregen van die vreemde meneer. Die meneer met dat uniform aan, net als haar vader. De gedachte aan hem maakte haar toch wat verdrietig, want haar vader was al enkele dagen niet thuis. Misschien was dat wel de reden waarom haar moeder niet zo vrolijk leek als anders.

proefcollage brandweerauto3 Inmiddels had zij stiekem al een klein hapje genomen van een chocoladereep. Terwijl zij probeerde te spelen vroeg zij zich af waarom iedereen toch zo bozig keek. Het was haar verjaardag, maar zij kon nou niet zeggen dat er veel gelachen werd. Zelfs die lieve goedlachse tante Miep die vanmorgen langs was gekomen en haar snel over de bol had geaaid en gefeliciteerd, leek met haar gedachten heel ergens anders te zijn. Heel zachtjes was haar tante gaan praten met haar moeder. Zij dachten misschien dat zij het niet kon horen, maar dan hadden zij het toch lekker mis. Woorden als Maasfront, gevechten en capitulatie drongen haar oren binnen. Het klonk spannend en nieuwsgierig vroeg zij waar zij het over hadden. Als antwoord kreeg zij dat er niks aan de hand was en dat zij verder moest gaan spelen. Maar met wie? Haar broer en zus stonden met serieuze gezichtjes alleen maar te luisteren naar hetgeen moeder en tante aan het bespreken waren. Oh, wat hoopte zij dat ze snel ouder zou worden, dan kon ook zij alles horen wat er gezegd werd.

Na vier dagen waren er nog drie reepjes over.  Sowieso had zij besloten er één voor haar vader over te houden. Zij wist nu eindelijk dat hij niet thuis was omdat hij heel belangrijk werk aan het doen was bij de brandweer en iemand die belangrijk werk verricht, verdient een chocoladereep. Zittend op haar bed begon zij langzaam de wikkel verder open te maken, zij ging er helemaal in op toen zij ineens werd opgeschrikt door een brommend geluid. Een brommend geluid dat alsmaar luider werd en luider. Het geluid nam de hele ruimte in beslag. Met haar handjes over haar oren ging zij angstig voor het raam staan. Veel tijd om te zien wat er toch allemaal gebeurde had zij niet. Haar moeder stormde binnen, greep haar bij de arm en sleurde haar naar buiten. “Wegwezen hier”,  schreeuwde zij. “Die moffen gooien bommen op ons”. Bommen, moffen?  Met haar kleine beentjes probeerde zij haar moeder, zus en broer bij te houden.

En toen zag zij het. Het brommende geluid hing boven haar. Niet één, maar wel honderden vliegtuigen zag zij. Met grote bange ogen keek zij toe hoe deze vliegtuigen  hele zware dingen naar beneden gooiden. Hele zware dingen die met zo een klap  neerkwamen dat huizen gewoon verdwenen. Weg. Niks meer. Zij vielen op de grond als de blokken van haar broertje waar zij gisteren nog mee gespeeld had. Er werd gegild, gerend, gehuild. Het stof deed pijn aan haar ogen en ze kon maar moeilijk zien waar zij was. Ineens stopte haar broer en tot hun grote verbazing en schrik, rende hij terug het huis in. “Kom onmiddellijk terug, nu meteen”, een vloek ontsnapte uit de mond van haar moeder. Na wat een oneindigheid leek te duren, stond na enkele luttele seconden Karel weer buiten. Onder zijn arm zat stevig zijn spaarpot geklemd. Ondanks alle hectiek en angst verscheen glimlach op het bezorgde gezicht van haar moeder. Maar zij versnelde haar pas met in haar kielzog haar kinderen.

Alles leek in brand te staan, behalve de Laurenskerk. Daar gingen zij naar toe en zij waren niet alleen.  Opeengepakt stond men bij elkaar te midden van het puin. Haar hart voelde zij kloppen als nooit tevoren en leek uit haar borstkas te klappen toen ook de Laurenskerk geraakt werd. Nooit zal zij  meer vergeten hoe de grond trilde onder haar voeten, hoe men in paniek vluchtte voor het gebouw dat in elkaar dreigde te storten, hoe ook hier het vuur snel om zich heen greep. Zo snel als zij  konden moesten zij hier weg. Maar waarheen, geen plek was meer veilig.

Het leek alsof zij in een zweefmolen zat. Alsmaar sneller, alsmaar sneller, zonder echt vooruit te komen. De omgeving draaide om haar heen , maar de wereld leek tegelijkertijd even stil te staan. Zij voelde het gevaar en keek naar haar moeder. Zij zou toch wel weten wat te doen?

Als een donderslag bij heldere hemel verstomde het brommende geluid. Weg waren de vliegtuigen. Weg waren de bommen die tussen 13.27 en 13.40 op deze lentemiddag,  als een hagelregen op Rotterdam waren neergedaald en die voor altijd het leven van duizenden mensen hadden veranderd. Wat overbleef was een verwoestte stad, 800 doden en 80.000 daklozen waarvan een groot deel richting het Kralingsebos vertrok.

Lopend langs de brokstukken van huizen waar ooit gezinnen samen hadden gegeten, geslapen, gelachen, geleefd,  liep nu een stroom van mensen de stad uit. Sommigen hadden een tas bij zich met wat schamele bezittingen, maar de meesten hadden niet meer bij zich dan de kleren aan hun lijf.

 

bombardement collage 4 tekst

 

De bewoners van de buitenwijken van Rotterdam, die ontkomen waren aan deze tragedie, stonden voor hun huizen te kijken. Zij hielden elkaar stevig vast en voelden zich gezegend dat zij niet tot degenen behoorden die nu met wezenloze blikken richting het Kralingsebos trok. Er werd niets gezegd, alleen maar gekeken. Want wat moet je zeggen tegen mensen wiens bezittingen door bommen letterlijk in rook zijn opgegaan? Die geen dak meer boven het hoofd hebben? Het kleine meisje liep zwijgend mee aan de hand van haar moeder. Haar andere hand stopte zij in haar jaszak om te voelen of zij de reep voor haar vader nog had.

Epiloog

Dit bijzondere meisje, is mijn bijzondere moeder. Het huis waar zij woonde op de Binnenrotte is die dag volledig vernietigd en dagenlang heeft zij samen met vele anderen doorgebracht in het Kralingsebos. Uiteindelijk is het gezin, zonder vader, vertrokken naar de overkant van de Maas. Naar Rotterdam Zuid waar familie woonde.

Mijn opa was die bewuste dag uitgerukt om de vele branden, te blussen. Onbegonnen werk, zou je haast zeggen. Want de 97.000 kilo Brisantbommen  die uit de allesvernietigende Heinkel bommenwerpers werden gegooid, veroorzaakten werkelijk overal in de historische binnenstad grote branden waardoor 24.000 woningen volledig werden verwoest.

In mijn gedachten zie ik een beeld voor mij van mijn opa, die totaal uitgeput aankomt op de plek waar ooit zijn huis heeft gestaan. Geen spoor van zijn vrouw en kinderen, niemand aan wie hij kon vragen waar zij waren. Simpelweg omdat er niemand meer was. Zijn radeloosheid en verdriet moet immens zijn geweest. Ook hij vertrok richting Rotterdam Zuid waar het gezin uiteindelijk herenigd is en de chocoladereep met smaak is opgegeten.

Mijn moeder is een oorlogskind en voor altijd zal deze ervaring zijn effect op haar leven hebben. Toen ik het onderstaande gedicht las moest ik dan ook meteen aan haar denken. Maar mijn moeder is geen slachtoffer gebleven, geen verbitterde haatdragende vrouw. Zoals ik al zei, zij is bijzonder en ik hou van haar.

 

proefcollage op el 5

Laat je reactie achter

Ik vind het leuk als je laat weten hoe jij erover denkt.